Ds. Op ’t Hof: kennis moet praktisch gericht zijn
Leren en onderwijzen in de nadere reformatie
De nadere reformatie heeft het thema leren en onderwijzen nooit apart aan de orde gesteld, geeft ds. W.J. op ’t Hof aan in zijn referaat tijdens de vijfde bijeenkomst van Leren in perspectief. Desondanks heeft hij in geschriften van de zeventiende-eeuwse vroomheidsbeweging waardevolle informatie kunnen terugvinden over haar onderwijsvisie en onderwijspraktijk. Twee zaken springen eruit: onze voorgangers leggen een sterke nadruk op de godzaligheid en ze hanteren een moderne didactiek.
Een goede school zet zich in om "de kinderen in Godtsalicheyt ende geleertheyt op te queecken''. Dit citaat komt van Izaäk Beeckman, rector van de Latijnse school te Dordrecht, die geïnspireerd was door de nader-reformatorische opvattingen. De dubbele doelstelling die eruit blijkt - niet alleen kennis en kunde, maar ook godzaligheid - is typerend voor de visie van de geestelijke hervormingsbeweging op het onderwijs, zo blijkt uit de lezing van dominee Op ’t Hof. Ze is overigens niet nieuw. "Een heiden als Plutarchus vond het al een eerste vereiste van een goede onderwijzer dat hij een voorbeeldig leven leidde en de jeugd goede zeden bijbracht. Christen-humanisten als Erasmus en Vives hebben in de zestiende eeuw hetzelfde geponeerd. Feitelijk staat de nadere reformatie met haar visie op het onderwijs in een zeer oude traditie, die teruggaat tot de klassieke oudheid."
Benoemingsbeleid
Het gewicht dat aan de godzaligheid wordt toegekend is in de nadere reformatie echter een stuk groter dan voorheen. Bij bekende vertegenwoordigers van de beweging, zoals de predikanten Willem Teellinck en Jacobus Koelman, kan het onderwijs niet ter sprake komen of het thema godzaligheid wordt aangeroerd. Dit moet bijvoorbeeld een bepalende rol spelen bij het benoemingsbeleid. De onderwijzer Johannes de Swaef wijst daarnaast op het belang van deskundigheid, maar ook bij hem staat godzaligheid op de eerste plaats. De voorbeeldfunctie van de leerkracht ontvangt in de programschriften van de nadere reformatie veel nadruk. Daarnaast moet het onderwijs leiden tot geestelijke activiteit. Jonge kinderen moeten leren zelf het Woord uit te leggen, de oudere jeugd moet de gehoorde preken leren repeteren. Van jongsaf moeten de leerlingen ook onderwezen worden in het bidden.
Ultramodern
Ook Izaäk Beeckman is voor de kennis van de nadere reformatie interessant, omdat hij een dagboek bijhield dat tot dus ver niet nader ontsloten is. Aan dit dagboek ontleent de lector informatie over de onderwijspraktíjk. "We doen de verrassende ontdekking dat de paar nader-reformatorische scholen die ons land in de zeventiende eeuw rijk is geweest er ultramoderne onderwijsmethoden op na hielden''. Izaäk Beeckman wil geheel breken met het bestaande klassikale systeem en de frontale manier van lesgeven. Docenten moeten een meer begeleidende en initiërende taak krijgen en de zelfwerkzaamheid van leerlingen moet worden gestimuleerd. Zo laat Beeckman oudere leerlingen de jongere onderwijzen en snelle leerlingen de trage. In zijn denkbeelden vinden we onder andere de filosofie terug van de Franse christenhumanist Petrus Ramus. Deze ontwikkelde in reactie op de scholastiek een wijsgerig systeem waarin het niet om denken gaat, maar om doen. De wetenschap is volgens Ramus niet theoretisch, speculatief of contemplatief, maar praktisch van aard.
Mensbeeld
"Het lijkt erop dat de nadere reformatie veel onbevangener en praktischer omging met onderwijsvernieuwingen dan wij doen", reageren de deelnemers tijdens de discussie. "Wij willen ze eerst toetsen op bijvoorbeeld het mensbeeld dat erachter schuilgaat." Voor een deel zal dat verschil er werkelijk zijn, denkt dominee Op ’t Hof. "De vernieuwers uit de nadere reformatie werden immers niet geconfronteerd met ideeën van anderen; ze ontwikkelden ze zelf. Maar er lagen waarschijnlijk ook wel theoretische beschouwingen aan ten grondslag. Het zou interessant kunnen zijn voor uw project om daarnaar meer onderzoek te doen."
Voetius
De lector meent overigens dat het reformatorisch onderwijs zijn religieuze kaders heel duidelijk moet stellen, maar dat bij een bepaald principieel uitgangspunt niet automatisch een bepaalde praktische aanpak hoort. Hij illustreert dit aan de hand van de praktijk binnen de nadere reformatie. Niet de hele hervormingsbeweging kan geplaatst worden in de traditie van Ramus. De Utrechtse hoogleraar Voetius bijvoorbeeld, de spil van de beweging, is een fervent aanhanger van de scholastiek. Filosofisch staat hij tegenover de ramistische theoloog Ames, maar in de praktijk gebruikt hij wel een handboek van hem. "Verscheidenheid in filosofisch systeem hoeft nog geen breuk te betekenen in de didactiek."
Motivatie
Dominee Op ’t Hof deelt het uitgangspunt van Ramus dat kennis praktisch gericht moet zijn. "Als dat meer in de praktijk gebracht zou worden, zou de motivatie onder de leerlingen heel wat vergroot worden", zegt hij in een van zijn stellingen. Hij meent dat we ook niet à priori afwijzend moeten staan tegenover het loslaten van een strak klassikaal systeem.
"Bij ons kwam de vraag op hoe het nu eigenlijk komt dat leerlingen ongemotiveerd zijn", reageert een van de discussiegroepen. Heeft dat wel te maken met het onderwijssysteem of met het curriculum? In het basisonderwijs zitten leerlingen van alle niveaus bij elkaar en hebben we een curriculum per groep. Het voortgezet onderwijs is opgedeeld in verschillende niveaus en we hebben nog steeds ongemotiveerde leerlingen. Je kunt je afvragen of wij niet veel te veel volgelingen zijn van de eisen die de overheid ons stelt.
Handschoen
"Onze voorgangers in de nadere reformatie laten zien dat je ook zelf vernieuwend bezig kunt zijn, sluit voorzitter van de bijeenkomst Bert Kalkman daarop aan in zijn afronding. "Ik zou die handschoen wel willen oppakken. Als wij een goed éigen verhaal hebben, ben ik niet bang voor de Inspectie".
|