Beroving van de Grieken
Leren en onderwijzen in de klassieke oudheid en de vroege kerk
De Israëlieten lieten bij hun uittocht uit Egypte de afgodsbeelden en hun zware lasten achter. Maar ze namen wel vaatwerk, kleding en gouden en zilveren sieraden van de inwoners mee. Dit principe van de ‘beroving der Egyptenaren’ is ook relevant voor vandaag, stelde lector drs. R.J.A. Doornenbal tijdens de derde bijeenkomst van het project Leren in perspectief. Laten wij onderwijsvernieuwingen systematisch en analytisch met elkaar bespreken, er de goede elementen uithalen en ze een christelijke invulling geven. Dat was ook de weg die de vroege christenen kozen. Zelf paste Doornenbal in zijn lezing het principe toe op de oude Grieken. Hij ‘beroofde’ hen van enkele vruchtbare gedachten over kennis en vorming.
In navolging van Socrates onderscheidde Doornenbal, docent kerkgeschiedenis aan de Christelijke Hogeschool Ede, twee soorten kennis: episteme en phronesis. episteme betreft cognitieve kennis, intellectuele inzichten en in boeken opgeslagen wetenswaardigheden, die los staan van ons eigen handelen en onze eigen persoonlijkheid. Wie episteme doceert, zegt Socrates, brengt slechts de schijn van kennis en wijsheid bij, niet de zaak zelf. Daarom wilde de wijsgeer zich alleen richten op phronesis: verstandigheid, praktische wijsheid. phronesis staat voor kennis die in het handelen tot uiting komt. phronesis veronderstelt ook zelfkennis, inzicht in onze eigen aard, in de doelen, drijfveren en morele dimensies van ons handelen.
Vragen stellen
De verbinding tussen kennis en handelen vinden we ook in het concept van ‘kennis-als-gereedschap’, legde Doornenbal een verbinding met de actualiteit. "Maar vanwege de morele dimensie heeft phronesis een veel rijkere en diepere inhoud. Het nastreven van phronesis lijkt mij goed te passen bij een christelijke visie op onderwijs. Ook in de Bijbel is kennis niet in de eerste plaats theoretische, abstracte kennis, maar praktische, integrale ervaringskennis."
Het traditionele frontale onderwijs is niet het meest geëigend om phronesis te bevorderen, meende de lector. Socrates gaf ook geen colleges, maar vervulde veel meer de rol van ondervrager, uitlokker en toetser. Vroedvrouw noemde hij zichzelf wel, met een verwijzing naar het beroep van zijn moeder. "Voorwaarde voor echte wijsheid is de bereidheid tot vragen stellen, een open gesprek tussen leraar en leerling, en het opwekken van verwondering", stelde ook coreferent dr. C. de Niet, docent klassieke talen aan het Van Lodensteincollege.
De nadruk op phronesis mag er niet toe leiden dat we episteme geringschatten, waarschuwden de beide inleiders. Algemene ontwikkeling en parate kennis blijven belangrijk en het christelijk geloof kent ook een duidelijk ‘epistemische’ kant. "Ik ga niet mee met de kretologie van snel veranderende kennis", aldus De Niet in zijn co-referaat. ‘’Echte kennis peilt heel diep en verandert niet, omdat ze doorstoot tot de fundamenten van het menselijk bestaan. En de mens verandert in zijn wezen door de eeuwen niet."
paideia
Een tweede belangrijk concept dat Doornenbal zou willen overnemen van de klassieken en omsmelten voor christelijk gebruik, is dat van paideia. paideia heeft te maken met een visie op vorming, op wat de mens tot mens maakt, op wat de leerkracht met de leerling voor ogen heeft. Socrates zag in dat het doel van het onderwijs niet is het aanleren van kennis en vaardigheden, maar dat het mensen in staat stelt het ware doel van hun leven te bereiken. "Wij moeten in ons paideia-concept verdisconteren dat het hele leven ‘dienst aan God’ is en deze overtuiging moet het hele curriculum doortrekken", zo spitste Doornenbal dit toe op het christelijk onderwijs. Hij benaderde paideia vervolgens vanuit drie invalshoeken. In de eerste plaats noemde hij de gemeenschappelijke bron. Het klassieke ideaal van paideia erkende bepaalde teksten als gezaghebbend. Het onderwijs was een continue beweging van deze bronnen naar de persoonlijke toe-eigening. Voor ons moeten uiteraard de Bijbel en de christelijke traditie bron en norm van opvoeding en onderwijs zijn. Het met elkaar willen delen daarvan, betekent dat het christelijk onderwijs in principe een gemeenschappelijke zaak is, iets waaraan docenten en leerlingen samen vormgeven, meende de lector.
Zijn tweede invalshoek betrof het accent op de morele vorming. De paideia zoals Socrates die voor ogen had, was gericht op het cultiveren van de kennis – in de zin van phronesis – van het Ware, het Goede en het Schone. Hierin herkennen we de school als waardengemeenschap. "Het is zaak dat we dit punt van morele vorming vasthouden en wellicht zelfs nog sterker ontwikkelen", aldus Doornenbal.
Docent
De laatste les die hij trok uit de klassieke paideia betrof de rol van de docent. Bij de Grieken kreeg het onderwijs vorm via een diepgaande, persoonlijke relatie tussen een jonge man en een oudere man, die fungeerde als tutor, coach en pastor tegelijk. Onderwijsgroepen waren altijd klein. De coach van vandaag wordt geacht niet meer te zijn dan een facilitator, die op afstand blijft en de leerling veel vrijheid laat. Doornenbal houdt daar een andere mening op na. "Mijn visie is dat een leraar juist wel ‘zichtbaar’ moet zijn en zijn deskundigheid in moet brengen. Leerlingen moeten gestimuleerd worden liefdevolle aandacht te besteden aan bepaalde onderwerpen, in plaats van alleen via plak- en knipwerk uit websites tot een oppervlakkig product te komen. En die liefde wordt toch vooral gewekt door een enthousiasmerende leermeester.‘’ Tegen de huidige trends in hechtte Doornenbal ook aan het gezag van de docent, dat naar zijn mening in eerste instantie moet rusten op betrouwbaarheid, of in Augustinus’ woorden: op waarheid. Die docent heeft gezag, zei Augustinus, ‘die in daden en woorden vertrouwen opwekt’. De relatie tussen leraar en leerling moet gekenmerkt zijn door oprechte persoonlijke belangstelling van de docent voor zijn pupillen. "Wij leren het beste van hen die wij liefhebben", vatte Doornenbal de woorden van Augustinus samen.
Vroege christenen
Kunnen wij lessen voor vandaag leren uit de gedachten over episteme, phronesis en paideia? Die vraag kwam ook tijdens de discussies aan de orde. Een reden om voor onze visie op leren en onderwijzen juist ook de klassieken te onderzoeken, vonden de inleiders in een aantal parallellen in de benadering van het onderwijs van toen en nu. Socrates kwam met zijn phronesis en paideia in de tijd van de sofistiek, een onderwijskundige methode waarin succes boeken en gelijk krijgen belangrijker waren dan de waarheid zoeken; die leidde tot scepsis ten aanzien van morele beginselen en tot toenemend individualisme. In onze tijd is er, door de geest van pragmatisme en postmodernisme, in diverse opzichten opnieuw sprake van een sofistische benadering van het onderwijs, meende Doornenbal. Toch zou het niet juist zijn de onderwijsvernieuwingen in Athene en die in onze tijd volledig te diskwalificeren. De vroege christenen deden dat ook niet. Zij waren bijvoorbeeld zeer onder de indruk van de klassieke paideia, namen die over en gaven er een christelijke invulling aan. Dat was in lijn met het algemene gebruik om een weg te zoeken tussen aanvaarding en verwerping. De vroege kerk zag in dat bepaalde trekken van de klassieke cultuur niet te verenigen waren met het christendom, maar meende dat zij er wel veel aan kon ontlenen dat het geloof en de studie van de Bijbel ten goede zou komen. Deze gedachte treffen we bijvoorbeeld aan in het vertoog De Doctrina Christiana van Augustinus.
Moed
Net als de vroege christenen passen wij in ons onderwijs het principe van de beroving der Egyptenaren toe, stelden de deelnemers tijdens de discussie. We moeten dat wel kritisch doen. "Het christelijk onderwijs moet gevormd worden in de confrontatie met de wereld om ons heen, niet de adaptie ervan'', aldus ook coreferent De Niet.
phronesis en paideia nastreven vraagt moed, was een andere conclusie. Het raakt het complete curriculum en de schoolorganisatie. Maar de concepten hebben wel een hele rijke inhoud. Als we de rol van de klassieke leraar serieus nemen, kunnen we ons afvragen of we de beroving der Egyptenaren nog toe moeten passen op de actuele onderwijsvernieuwingen. Want dan hebben we in potentie al zoveel, dat we niet meer hoeven te roven!
|