Project



Leren in relatie met God, de naaste en de schepping

Tweede bijeenkomst over ‘Leren in perspectief’

Dit artikel is ook gepubliceerd in: D.R.S. mei 2003

De leerlingen die vanuit onze scholen de maatschappij ingaan, moeten niet alleen beschikken over kennis en vaardigheden, maar moeten vooral weten wat het grote zingevende kader is in leven en werken. De fundamentele lijnen van de Schrift - schepping, zondeval, verlossing en voleinding - plaatsen leren pas echt in perspectief.

Het Nieuwe Testament bevat een schat aan gegevens over leren en onderwijzen. Referent Prof. dr. T.M. Hofman en coreferent ds. Tj. De Jong belichtten een aantal aspecten daarvan tijdens de tweede bijeenkomst in het kader van het project ‘Leren in perspectief’. De ruim zestig deelnemers aan de avond, op 6 mei in hogeschool de Driestar, droegen bij aan de bezinning door in groepen kritische vragen te formuleren bij het gehoorde.

Leraar
Professor Hofman trok in zijn referaat de lijn door vanuit het Oude Testament, dat in de eerste bijeenkomst centraal stond. "Net als in het Oude Testament gaat het in het Nieuwe Testament om de mens voor Gods aangezicht, ook in het onderwijs. Hierin ligt het vertrekpunt voor alle diepgravende bezinning op christelijk onderwijs."
Zijn lezing ging allereerst in op het onderwijzen door Jezus als de Grote Leraar. Naar de vorm is Jezus’ onderwijs niet anders dan dat van de rabbi’s in Zijn dagen. Ook de inhoud is op het eerste gezicht in lijn met het gebruik: we zien bijvoorbeeld dat Jezus de Schriften leest en de Thorah uitlegt. Het eigene van Zijn onderwijzing ontdekken we vooral in de manier waarop Jezus de leerstof uitwerkt. Bij Hem zien we niet een casuïsti­sche behandeling van de Wet, zoals bij de leraren van die dagen, maar Hij spreekt het mensenhart aan op het al of niet honoreren van de wil van God. Jezus geeft in Zijn onderwijs geen theoretische reflexie, maar legt Gods claim neer op het hele leven van de mens. Een heel wezenlijk verschil is ook dat Jezus niet zoekt naar de autorisatie van mensen; Hij associeert Zich direct met God Zelf.

Relatie
Vervolgens werd stilgestaan bij de ‘kleine leraar’. De kleine leraar verricht zijn werkzaamheden in nauwe persoonlijke verbondenheid met de Grote Leraar. Dat impliceert allereerst leerling zijn. Kleine leraar zijn is ook niet primair een zaak van het intellect, maar van het hart. De discipelen bijvoorbeeld geven geen kale afstandelijke weergave van de feiten, maar leggen die heel persoonlijk aan het hart. Een echte leraar gaat ook herinneren en gedenken. De discipelen verzínnen niet zelf het onderwijs, maar geven door wat ze gehoord en geleerd hebben.
Christelijk onderwijs vraagt om een voortdurende bezinning op het bredere kader waarin het onderwijstraject staat, denkt Hofman. En: de kleine leraar die zijn eigen hart kent, zal terdege rekening houden met de zonde en gebrokenheid in het leven van de leerling, de leeror­ganisatie en de samenleving. Leren doe je in relatie is zijn conclusie. In relatie met God, met de naaste en met Gods schepping.

Leerstof
Coreferent dominee De Jong voegde er in zijn lezing aan toe dat het onderwijs in het Nieuwe Testament vooral gericht is op het maken van echte leerlingen. En dat het accent ligt op de leerstóf die doorgegeven wordt, objectief, zoals zij is. De methode die in het Nieuwe Testament vaak gebruikt wordt voor het catechetisch onderwijs, is die van vraag en antwoord.
In de Bijbel gaat het bij onderwijzen echter vooral om de prediking, gaf de coreferent aan. Dat moet ons voorzichtig maken om de lijn zonder meer door te trekken naar de praktijk van het schoolleren.
Het Nieuwe Testament geeft ons geen dírect antwoord op de didactische vragen van deze tijd, meende ook professor Hofman. "Maar ik denk dat de lijnen die zijn uitgezet, voldoende richting geven voor uw praktische invulling. Wij moeten ervoor waken dat er twee werelden ontstaan: een christelijke wereld en een didactische wereld." Leren in relatie betekent niet dat kennis en vaardigheden niet tellen, reageerde hij op vragen uit de zaal, maar dat ze in de juiste belichting komen te staan. "Het is goed om jongeren kennis en vaardigheden bij te brengen", Maar als zij niet meer meekrijgen, dan is het veel te weinig. Tegenwoordig denken we in segmenten, atomistisch. We zijn bezig met de pootjes van de vlieg, maar niemand weet meer wat de vlieg is. Ik denk echter dat een christen opleidt voor dat grotere zingevende kader, dat wij niet zelf maken, maar dat ons gegeven wordt."

Spanningsveld
Wat is dat eigenlijk voor een persoon, die kleine leraar die voor de klas de Bijbelse boodschap doorgeeft?, vroeg een van de discussiegroepen zich af. "Wij kwamen tot de conclusie dat voor het overbrengen van de boodschap ook de relatie met de klas belangrijk is. "Leren en onderwijzen is niet primair een zaak van het intellect, maar van je hart", was professor Hofman het daarmee eens. Er is ook een spanningsveld, constateerden inleider en vraagsteller. "Als je die levende relatie met God niet hebt, is het bijna een onmogelijke mogelijkheid om de Heere Jezus aan te prijzen, en om de fundamentele dingen van het Woord ter sprake te brengen. Het is goed als je in ieder geval die spanning voelt."

Objectief
"Bij leren in relatie heb je het altijd over een subject en een object", werd ook opgemerkt. "Dominee De Jong benadrukte in zijn lezing het objectieve. Hoe verhoudt dat zich met elkaar?" "Onze opdracht is: predikt het Woord", reageerde dominee De Jong. En in de brief aan Timotheus lezen we: heb acht op de leer. Daarin ligt het objectieve van een leer die is zoals hij is, afgezien van de mens op dat moment. Dat geeft ook een stuk vastheid aan het onderwijs. Wij mogen onze eigen inbreng niet zo belangrijk achten dat het Woord ondersneeuwt of op de tweede plaats komt. Uiteindelijk is het Gods Woord dat zal werken en waar de Heilige Geest zich aan paart. Dat betekent niet dat het onverschillig is of de persoon die onderwijst weet heeft van wat hij zegt. Dat is zonder meer noodzakelijk."
"De leraar herinnert en gedenkt", herhaalde professor Hofman uit zijn lezing. "Het is van het allergrootste belang dat de kerk een fundamen­tele, gelovige herinnering heeft aan de openbaring van God die daadwer­kelijk geschied is. De kerk mag leren en doorgeven dat zo Gods heilsplan in vervulling is gegaan en gaan zal. Dat is zo objectief als het maar zijn kan. Maar de leraar geeft het wel persoonlijk door."

Woord
"We hebben het tot nu toe vooral over de inhoud van het onderwijs, werd aangegeven vanuit de zaal. "Maar kunt u ons vanuit het Nieuwe Testament ook stapstenen aanreiken voor het hoe? Ik denk er bijvoorbeeld aan dat de Heere Jezus beelden en metaforen gebruikte, en genezingen en wonderen als tekenen van zijn koninkrijk." "Wij mogen, als het maar binnen het bredere kader past, zoeken naar wat dienstbaar is", antwoorde de referent. Hij pleitte er echter voor om het gehoor en het woord een centrale plaats te blijven geven. "Abraham moest heel lang leven op die oren, die Gods belofte hadden gehoord. Pas na veel jaren kreeg hij de vervulling te zien. Het is prima om te zoeken naar verbreding, maar laten wij het woord de centrale plaats blijven geven die het toekomt." "Als het aankomt op het overbrengen van de Bijbelse boodschap, is het Woord niet primair, maar zelfs het enige", voegde dominee De Jong eraan toe. "Hoort hierbij ook het spreken met autoriteit?", werd gevraagd vanuit de zaal. Professor Hofman beaamde dit nadrukkelijk. "De kleine leraar die objectief doorgeeft wat God heeft geopenbaard, is zijn roeping niet getrouw als hij dat niet met autoriteit doet. Het is niet ‘ondertussen gaat het verhaal …’, maar ‘het is geschiedt!’ en ‘de Heere is waarlijk opgestaan!’ Hoe kun je dat nu overbrengen zonder autoriteit?"