Project



Perspectief op leren

Overgenomen uit: Reformatorisch Dagblad 7 oktober 2005

Ruim twee jaar geleden nam het reformatorisch onderwijs het loffelijke initiatief zich te bezinnen op de ontwikkelingen rondom het nieuwe leren. Onder de naam "Leren in perspectief" ging een project van start dat moet leiden tot een bijbels verantwoorde visie op leren. Twee weken geleden was het zover dat de eerste fase van het project kon worden afgerond.

In die fase is een everkenning uitgevoerd, waarbij men op zoek ging naar figuren en stromingen die inspirerend zouden kunnen zijn voor de positiebepaling in het heden. Terug naar de bronnen dus. Een goede gedachte, die blijk geeft van het besef dat er van het verleden te leren valt. De verkenning van de geschiedenis vond plaats aan de hand van een achttal referaten, beginnend met een oriëntatie op het Oude Testament en eindigend met een bezinning op de actualiteit van het gedachtegoed van prof. Ph. A. Kohnstamm.

Waterink i.p.v. Kohnstamm

Wie in acht stappen door 6000 jaar geschiedenis wil, zal moeten selecteren, maar de keus voor Kohnstamm is toch wat minder vanzelfsprekend. Een afronding van de lezingencyclus met een bezinning op het werk van prof. H. Bavinck en prof. J. Waterink had, gezien het doel van de verkenning, meer voor de hand gelegen. Wie de in het reformatorisch onderwijs gangbare doelomschrijving van de opvoeding kent, weet dat deze, merendeels zelfs woordelijk, is ontleend aan de omschrijving die Watrink in zijn "Theorie der opvoeding" geeft. En Bavincks "Paedagogische beginselen" is in het kader van de gedachte dat de leerling de regisseur van zijn eigen leerproces is, verrassend actueel. Wie het niet gelooft moet het maar eens nalezen.

Inmiddels zijn de referaten onder de titel "Perspectief op leren" gebundeld en op een bijeenkomst in Gouda gepresenteerd. Tevens deed de projectgroep er verslag van het resultaat dat de oriëntatie op de bronnen heeft opgeleverd. Het werd gepresenteerd in de vorm van een aantal aandachtspuntn, waarvan de kern is dat de leraar ondanks alles belangrijk is en blijft. Hij dient identificatiefiguur te zijn en heeft tot taak de leerling in te leiden en in te wijden. De leerling zelf moet niet aangezet worden tot zelfverantwoordelijk leren, maar tot betrokken leren, en er moet dienstbaarheid van hem worden gevraagd. De verhouding tussen de leraar en de leerling laat zich typeren als die van meester en gezel. Het gaat in deze gezagsrelatie zowel om vorming als om kennis.

De projectgroep heeft zo op een goede en evenwichtige wijze de bronnen in rapport gebracht met deze tijd. Hoe nu verder? Volgens de projectvoorzitter komt er binnenkort een onderzoek onder de leraren en mogelijk ook onder de leerlingen. Dat vraag om toelichting. Moet dit de volgende stap zijn op weg naar een bijbels verantwoorde visie op leren? Het ligt toch meer voor de hand dat de uitgangspunten die op grond van de oriëntatie op de bronnen zijn geformuleerd, verder worden uitgewerkt tot een kader? Dat daarna toetsing in de praktijk plaatsvindt, is begrijpelijk. Welke waarde heeft het echter om voorafgaand aan de formulering van je kader al een onderzoek uit te voeren? Ik kan me niet voorstellen dat het de bedoeling van de projectgroep is dat we onze uitgangspunten gaan aanpassen aan onze praktijk. Overigens vond ik het van goed inzicht getuigen dat in Gouda een van de projectleden aangaf, dat we niet moeten werken aan een onderwijskundig of een didactisch kader, maar aan een schoolpedagogisch concept. Met deze term wordt helder aangegeven dat in het reformatorisch onderwijs de schooldidactiek onder beheersing staat van de pedagogiek.

L.D. van Klinken.