sector onderwijs - GOLV


Belangenbehartiging

C.A.O. Voortgezet Onderwijs

november 2003

  • Hoofdlijn nieuwe CAO
  • Errata en interpretatie
  • Onlangs is op veel VO-scholen de nieuwe CAO-VO 2003-2005 verspreid. Het is de eerste CAO waarin het Werkgeversverbond VO een rol heeft gespeeld. Ook is dit weer een CAO voor het hele voortgezet onderwijs, na een aantal jaren gewerkt te hebben met diverse decentrale CAO's.

    Hoofdlijn

    Kaderstellend
    Zoals afgesproken in het onderhandelaarsakkoord van 7 maart 2003 is de nieuwe cao kaderstellend. Dit is niet alleen een gevolg van het feit dat in de cao diverse dencentrale cao oplossen, maar ook in het beleid van de overheid de scholen meer verantwoordelijkheid te geven. In de cao lezen we daardoor heel frequent de zinsnede "de werkgever stelt in overleg met de P(G)MR een .... vast." Op deze site zullen we een overzicht gaan maken van de onderwerpen die zo op instellingsniveau geregeld moeten worden.
    In verband met deze uitbreiding van de taken van de P(G)MR is de facilitering voor de leden van deze personeelsraden ook royaler geregeld. Gemiddeld moeten leden van de PMR minimaal 100 uur per jaar ontvangen. Een voorzitter en secretaris uit het personeel ontvangt daar nog extra tijd bij. Deze en andere regelingen rond de facilitering zijn te vinden in artikel 14.5 van de nieuwe cao.

    Het reformatorisch onderwijs
    Deze CAO is ook van toepassing op de reformatorsche scholen voor VO. De besturen zijn namelijk lid geworden van het Werkgeversverbond VO. Hiermee is het eigen Georganiseerd Overleg, tussen VGS en GOLV, RMU en KLS vervallen. Er komt dan ook geen opvolger voor de laatste RRVO 2002-2003. Welke mogelijkheden er binnen het Werkgeversverbond zijn om de eigenheid van het reformatorisch onderwijs op het gebied van de rechtspositionele regelingen te handhaven wordt momenteel onderzocht. Ook vindt onderzoek plaats naar de mogelijkheid om een aantal van de zaken die door de werkgever in overleg met de P(G)MR geregeld moeten worden, voor de reformatorische scholen te centraliseren in een nieuw Georganiseerd Overleg.

    Taakbeleid
    Het taakbeleid moet volgens de nieuwe cao op instellingsniveau worden uitgevoerd. De cao biedt hiervoor kaders wanneer oude regelingen niet meer van toepassing zijn. Dit heeft te maken met de uitlooptijd van verschillende decentrale cao's. De kaders voor 2003 zijn te vinden in bijlage VII. Hieronder vermelden we een paar belangrijke punten.

    Uren per week [17 december 2003]
    De Besturenraad zorgde onlangs voor onrust in het veld. Ze vermelde in haar Nieuwsbrief dat het onder bepaalde voorwaarde mogelijk is dat er toch 26 in plaats van 25 uur per week als norm genomen zouden mogen worden bij een voltijdbetrekking. Hierover bestond een verschil van mening tussen het bestuur en de MR van een pc-school in het voortgezet onderwijs. De Commissie voor geschillen WMO heeft een uitspraak gedaan. De commissie vindt dat 26 uur kan, als voldaan is aan de voorwaarde van werkdrukverlaging, waarvan sprake is in de toelichting bij de cao-vo 2002-2003. Duidelijk moet zijn dat deze zaak alleen betrekking heeft op het cursusjaar 2002-2003. In de nieuwe CAO wordt in bijlage VII onder Taakbeleid 6.1 b expliciet vermeld dat 25 uur de norm is. Meer info van Besturenraad.


    Errata CAO

    In de CAO zitten drukfouten. Een overzicht van de errata kun je downloaden met de link hieronder.

  • Errata CAO 2003-2005 (*.pdf, 65 Kb)

  • Interpretatie CAO

    Een aantal artikelen uit de nieuwe CAO blijken in de praktijk om een nadere interpretatie te vragen. Hieronder een overzicht.

    Artikel 5.3. en 5.4., de interpretatie van 5.4., lid 2 en 5

    5.3. Functiebouwwerk
    De werkgever stelt in overleg met de P(G)MR het functiebouwwerk binnen de instelling vast, met inachtneming van hetgeen in artikel 5.4. de leden 2 en 5 is bepaald.

    5.4 Invoering FUWA-VO 2002
    2. Functiebouwwerk
    a.bij de vaststelling van het functiebouwwerk worden in acht genomen de afspraken dienaangaande gemaakt tussen werkgever en centrales ingaande op of na 1 augustus 2002.
    b.indien geen afspraken zijn gemaakt als bedoeld onder a realiseert de werkgever uiterlijk per 1 augustus 2004 een functiebouwwerk dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
    - de werkgever heeft met ingang van 1 augustus 2004 tenminste 12% van de LB-docenten (in FTE’s) benoemd in een LC-functie
    - het beleid ten aanzien van de percentages van de LD functies blijft ongewijzigd
    5. Indien de werkgever dan wel de P(G)MR dit wenst wordt het overleg als bedoeld in artikel 5.3 dan wel het overleg als bedoeld in lid 1 onder a door de werkgever met de centrales gevoerd.

    De interpretatie van lid 2 en 5 van artikel 5.4.
    Volgens artikel 5.3 kan de werkgever in overleg met de P(G)MR een functiebouwwerk  vaststellen. Voorwaarde is wel dat de werkgever eerst feitelijk uitvoering moet geven aan het bepaalde in art. 5.4.2 onder a of b. Dus nadat de werkgever (per 1 augustus 2004) feitelijk een functiebouwwerk heeft gerealiseerd dat voldoet aan deze voorwaarden, kan hij het verdere overleg over het functiebouwwerk voeren met de P(G)MR. Dit is alleen anders als hetzij de werkgever hetzij de P(G)MR gebruik maakt van art. 5.4 lid 5. In dat geval wordt het overleg over het functiebouwwerk ook nadat voldaan is aan de voorwaarden uit 5.4 lid 2 niet met de P(G)MR maar met de centrales gevoerd.

    Artikel 6.2., de interpretatie van lid 5

    Vaststelling maandsalaris bij indiensttreding
    5 Het maandsalaris van de werknemer die voor de eerste keer wordt benoemd in een onderwijsfunctie wordt, voor elke periode van vier jaar na het verwerven van de vereiste bevoegdheid met één periodiek verhoogd.

    De interpretatie van lid 5.
    Met lid 3 is beoogd bij het vaststellen van het maandsalaris de werkgever te verplichten rekening te houden met in het verleden door de werknemer opgedane relevante werkervaring. Lid 3 biedt werkgever en werknemer ruimte om een passende inschaling af te spreken. Partijen gaan er van uit dat door werkgever en werknemer daarbij de in lid 5 bepaalde verplichting meteen wordt meegenomen. Lid 5 is dus uitsluitend aan de orde wanneer de verrekening niet reeds bij lid 3 heeft plaatsgevonden.

    Artikel 9.1., de interpretatie van lid m en n

    Kortdurend verlof
    m. bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont, twee dagen;
    n. kraamverlof na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene met wie hij het kind erkent, vijf dagen, gedurende een tijdvak van vier weken, te rekenen vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de werknemer woont;

    Interpretatie lid m en n.
    CAO-Partijen hebben vastgesteld dat per abuis een wisseling had plaatsgevonden van het aantal dagen genoemd in lid m en n. Op grond van deze constatering hebben partijen besloten tot een erratum. De hierboven genoemde tekst is de tekst die ontstaat nadat de wijzigingen zijn aangebracht.
    De twee dagen bevallingsverlof op grond van lid m gelden ongeacht de omvang van de betrekking (volgens art. 2.1 lid 4). Strikt genomen geldt dit ook voor de vijf dagen kraamverlof op grond van lid n (eveneens volgens art. 2.1 lid 4). Dit laatste is echter door partijen niet zo bedoeld. Partijen achten het redelijk dat de vijf dagen kraamverlof aan een werknemer met een deeltijdbetrekking worden toegekend naar rato van zijn betrekkingsomvang.


    Zie ook

  • CAO-nieuws voorjaar 2003